Poëtisch Panorama
Poëzie uit de Zuiderlijke Nederlanden 1830 tot 1890
bron: inleiding van
Albert Westerlinck
van de uitgave van het Davidsfonds-Leuven 1962
Diepe menselijke beleving komt in heel dit tijdperk _elden voor. Volmaakte religieuze lyriek vinden wij slechts bij Gezelle, aangrijpende religieuze accenten ook bij Van Duyse en Van Langendonck. Voor de rest bestaat slechts onopvallende vroomheidspoëzie. meestal in affectief romantische toon geschreven, en af en toe wel eens poëtisch geslaagd (Servaas Daems, Cuppens). Weinigen kunnen zich optillen tot authentieke beleving van het sublieme, de 'onmeetbaarheid' van leven en cosmos, tenzij weer Prudens van Duyse r wiens indrukwekkende persoonlijkheid, ondanks de waardering die Van Langendonck en Van de Woestijne hem schonken, nog steeds wordt onderschat -r en Albrecht Rodenbach; enkele andere zeldzame gedichten niet te na gesproken. Het geestelijk bewustzijn van het tragische vinden wij voor het eerst bij jan de Laet, die in zijn meesterlijk sonnet Ontgoocheling de Weltschmerz tot prangend filosofisch bewustzijn heeft verdiept: later ontwaren wij het, soms gedempt, in gedichten van Rodenbach, Van Langendonck, V. Loveling, P. C. Verhuist, Dela Montagne en anderen. Doch meer dan eens is het pessimisme te sentimenteel en het optimisme te naïef.
Het zou echter onjuist zijn te beweren dat onze poëzie tot de komst van Van Nu en Straks heeft moeten wachten om het dichterlijk individualisme, begrepen als het bewuste bezit van een innerlijke persoonlijkheid met diepte en dimensies, te ontdekken. Wie de beste gedichten van de jonge Gezelle, van Van Duyse, De Laet, Rodenbach, de Lovelings heeft beluisterd, weet dat zij in zekere mate de smartelijkheid en jubel, angst en hunkering van het mens-zijn, de honger naar levensruimte en de martelende levensdrift hebben gekend, al lang vóór Prosper van Langendonck heel deze innerlijke wereld het 'mensdom van (ons) hart heeft genoemd. Het meest fundamentele bezwaar dat men in onze tijd tegen de Vlaamse lyriek van vorige eeuw kan). formuleren, is dat haar lyrisch gehalte zuiverheid en pregnantie mist.
Zij bereikte zelden de geheimzinnige essentie der poëzie. Lyrisch scheppen is voor het innerlijk mysterie van de ziel vorm zoeken in het mysterie van de taal. Te weinig dichters van onze 19e eeuw waren zich bewust van de essentiële roeping van de dichter : zich in het mysterie van de taal, het steeds onbekende leven van woorden, klanken, beelden, ritme te verdiepen. Te weinig hebben zij dan ook aan hun lyrisch werk een toverachtige schoonheidsharmonie, een volmaakt sluitende vorm en een diep-irrationele uitdrukkingskracht gegeven, zoals de goede lyriek doet. Alleen Guido Gezelle heeft zich met zijn schier onbewust, intuïtief genie soms roekeloos aan het geheim van de taal overgegeven om van uit haar ondoorgrondelijke schoot zuiver lyrisch te scheppen. Bij de anderen bleef de verhouding tot de taal te extern. Zij schreven wel met gevoel en verbeelding en heel wat vaardigheid, maar zij gaven zich niet over aan hun diepste zelf noch aan de geheimenis van de taal, en konden aldus uit haar wonderbaar erts het alchemische goud van de zuivere lyriek niet puren.
Dit betekent dan weer niet dat al dit werk waardeloos is. Blijve de zuivere lyriek het ideaal, toch weten wij dat de ontelbare dichters der mensheid vrij zelden deze kwintessens uit hun scheppingsprocessen hebben gepuurd. Ons esthetisch genot moet zo vaak bescheiiener zijn. Zulk bescheiden maar gaaf genot wordt )ns geschonken door K. Ledeganck, die voor het eerst )nze arme, stuntelige volkstaal heeft doen zingen. Na zem zal meer dan één romantisch dichter 'een lied rol melodij' met muzikale zoetvloeiendheid schrijven. dok de retoriek, van klassicistische herkomst, die van~ xf fan Frans Willems in geheel onze romantiek vigeert en er meestal tot wijdlopige taalbouwsels leidt, heeft literaire verdienste. Alleen Guido Gezelle (weet ze wonderbaar om te scheppen tot musische lyriek, doch bij vele anderen schenkt zij ons toch literair genoegen. Ook de metrisch-ritmische oefeningen van de zogenaamde formalisten, Van Droogenbroeck, De Cort e.a. , onze eerste experimentele& - hebben enige verdienste. Hoe extern hun verhouding tot de lyrische essentie ook bleef, terwijl zij speelden met metra, versschema's en klanken, toch hebben zij ruimere aandacht gewekt voor de esthetische beleving. Vooral aan hun latere navolgers, waaronder Pol de Mont, kan men om de sier en bekoorlijkheid van hun taal geen externe stijlwaarden ontzeggen. En wie ten slotte zou geen genot beleven aan de fijnzinnige demping van het woord, de delicate stemming, de feilloze geslotenheid van de vorm in het beste werk van onze realisten, de Lovelings, Dodd, Dela Montagne, Sauwen, enz.?
Als geheel beschouwd, noopt de Zuidnederlandse dichtkunst van vorige eeuw, tot aan Van Nu en Straks, mij niet tot enthousiaste bewondering, maar wel tot oprechte waardering en vaak tot stille vreugde. Er is in haar poëtisch gehalte weinig zuiver goud
de énige Gezelle niet te na gesproken! - maar wel heel wat glanzend zilver en nog meer warmhuiselijk tin.
Omdat sinds vele decennia geen uitvoerige bloemlezing van de Zuidnederlandse poëzie uit de 19e eeuw meer verschenen is, heb ik mij aan dit werk gezet. Twee normen hebben mij bij de samenstelling géleid
het geven van een historisch overzicht door de teksten en het kiezen van het beste werk. Het was mij onmogelijk deze twee normen volmaakt te verzoenen en ik moest genoegen nemen met een compromis. Het werk van Guido Gezelle heb ik terzij gelaten omdat het zo ruim verspreid en voor ieder bereikbaar is. Hem, de uitzonderlijk grote, een waardige plaats geven in deze bloemlezing, zou mij trouwens, in een beperkt bestek, zoveel bladzijden hebben gevraagd dat ik vele minder bekende dichters moest laten wegvallen.
De filologen en literatuurhistorici die deze bloemlezing zouden ter hand nemen, moet ik er vooraf op attent maken dat niet enkel de spelling maar ook de taal werd gemoderniseerd waar de versmaat dit toeliet. Zij zullen mij deze roekeloosheid niet ten kwade duiden, hoop ik, omdat zij beroepshalve de oorspronkelijke teksten moeten raadplegen en deze bloemlezing niet voor hen is bestemd. Mijn hoop is dat zij een ruimer doel enigermate bereikt. Wat niet uitsluit dat zij ook aan de zeer weinige deskundigen enig nut en genoegen moge bieden.
Leuven, 4 januari 1962
A. Westerlinck
bladzijde 1