De afsluiting van de Zuiderzee, nu al weer vijf en zeventig jaar geleden is mede de oorzaak van de teloorgang van de visserij op deze eertijds visrijke binnenzee.
Deze ballade probeert de gevoelens van bitterheid en onmacht, die het gevolg was van de voltooiïng van de Afsluitdijk, onder de vissers te omschrijven

Hoe menig visser bleef voorheen
op zee en in de groene schoot.
Wreder dan schipbreuk in ‘t verleên
is nu zijn dagelijkse dood.
refrein:

Hoe menig botter brak in twee
door slag- en stortzee overspoeld.
nu ligt er menig op de ree
verrot en losgewoeld.
refrein:

Hoe menig visserman verbijt
zijn wrok en smart, wanneer de krant
spreekt van veroverd na veel strijd
op ‘t water weer een nieuw stuk land.

De zee wordt tot een doodstil meer,
als ‘t hart van menig visserman,
omklemd als van een stalen veer.
geen landrot weet daarvan

<bgsound src="gezongen/zuiderzeevissers.WMA"