"Doe deze gordel om, zodat je de Fluit en het Zwaard vrij kunt dragen en wanneer nodig, bij de hand hebt. Ga nu, ik hoop echt dat je terugkomt, want de last van mijn straf valt mij zwaar. Doe precies wat ik je heb gezegd en laat je niet leiden door de hebzucht die in je is, want vroeger of later zal die je zeker in het ongeluk storten!
Ik keek onzeker naar de Dwerg, want ik wist dat ik maar te doen had wat hij zei. Wat kon ik verder nog zeggen, ik wist het niet en wat onhandig deed ik de gordel om en stak de fluit daarin.
Zenuwachtig.kuchend zei ik: "Nou, dan ga ik maar". De dwerg knikte hem bemoedigend toe. "Dat zou je kunnen doen. en ik raad je aan je bagage hier achter te laten, volgens mij zal je daar alleen maar last van hebben".
Ik knikte en ging zwijgend op pad.
De dwerg keek de
Marskramer na tot deze in de verte was verdwenen. Hij hád het gevoel dat het
deze vreemdeling zou lukken het Zwaard van Dworkskil terug te brengen, maar
waarschijnlijk was de wens de vader van de gedachte.
Mijn stemming was niet al te best toen ik eenmaal onderweg was. Liet ik mij op pad weg sturen door zo'n ventje? Ja dus, en ondertussen had ik niet eens kunnen uitrusten bij het vuur, even mijn ogen kunnen sluiten of zelfs maar wat eten.
Integendeel: ik voelde nu weer de harde noordenwind in mijn gezicht. Gelukkig ging het lopen zonder mijn gebruikelijke bepakking mij veel lichter af, maar door de opdracht en de onzekerheid over wat mij te wachten stond, leek het of ik lood in mijn schoenen had.
Kortom dit had niets weg van een genoeglijke avondwandeling, als ik daar al behoefte aan had gehad. Had ik maar naar die dorpelingen geluisterd......! Nu gaf ik zichzelf weinig kans hier levend uit vandaan te komen. Zo dwarrelde angst en zelfverwijt door mijn hoofd bij elke stap die ik tegen de wind optornde. Hoelang ik zo, als in een roes gelopen had, ik wist het niet. Pal noordwaarts, dat was het enige dat ik wist, als de wind tenminste niet was gedraaid. Ik probeerde door de dichter wordende mist heen het kaarsrechte smalle pad af te kijken. Er leek geen eind aan te komen. Ik
merkte ook dat de wind, geleidelijk aan, was gaan liggen.
Niet dat ik dat nou direct als een verbetering zag. Nee, in tegendeel, het moeras was nu bedekt met een kille, angstaanjagende mistdeken. Er was geen vogel te horen. Slechts het geluid van de stenen die knarsten onder mijn schoenen verscheurde de doodse stilte. Ik moest me ontspannen, de angst van me af zetten. Zo dadelijk werd ik wakker en was het allemaal niets meer dan een boze droom geweest.
Tot mijn verbazing merkte ik bij mijzelf geen spoor van vermoeidheid of honger. En toch haf ik hele dag nog niets gegeten. Opeens zag ik de contouren van de zon vuurrood door de mist heen, laag boven de horizon. Ik wist dat het middernacht was en merkte dat ik de aan de oever van het Meer der Nevelen was aangekomen.
I
br>
Het
was nu windstil en de gloed van de noorderzon glansde op het spiegelgladde water en de nog steeds dichte mistflarden daarboven deden mij rillen. Het meer deed zijn naam alle eer aan.
Ik keek de oevers van het meer af zover ik kon zien, maar het moeras ging naadloos over in het meer. Er was geen kans om langs die weg aan mijn gevaarlijke opdracht te ontkomen. Bovendien wat moest ik zonder mijn handelswaar, alles was wat ik op deze wereld bezat.
Ik zou wel zien en haalde de fluit uit de gordel en nam hem in de hand en bekeek deze nog eens goed.
Het was een prachtig instrument, kunstig bewerkt goud, ongetwijfeld eeuwen oud, nu ik de fluit zo in zijn handen had, voelde ik magische kracht die het bezat. Ik
zette de fluit aan mijn lippen en schrok van het geluid, omdat het ruw de stilte verstoorde. Niet dat het lelijk klonk of zo, nee in tegendeel het was van een betoverende schoonheid, maar omdat ik bang was voor de gevolgen.
Het duurde niet lang of er doemde een roeiboot op uit de mist. Een gestalte zat aan de riemen en liet deze met regelmaat, als was het op de maat van de muziek, in het water neerkomen. Mijn hart klopte in mijn keel en ik huiverde. Er was geen weg terug, ik moest verder.
Rustig blijven, hield ik mezelf voor, luister maar naar de muziek. Ik sloot de ogen en de betoverende klank, gaf mij rust.
God, dacht ik, met deze fluit zou ik gemakkelijker aan de kost komen dan met een vracht koopwaar op mijn rug. Toen ik mijn ogen weer opendeed zag ik dat de veerman al bijna bij me was. Nog steeds speelde ik op de fluit en keek toe hoe de veerman geroutineerd, zonder op of om te zien, afmeerde.
Zwijgend keek hij toe, terwijl ik achter in de boot plaatsnam. De fluit speelde door, ik gruwde toen ik hem recht aankeek en zijn dode ogen zag, de duivelse grijns maakte zijn mismaakte gelaat nog afschrikwekkender dan het al was. Ik wendde mijn ogen af en tuurde in de mist of ik al iets van een eiland zag. Het spiegelende oppervlak van het meer werd alleen maar gebroken door de slag van de riemen en de boeggolf van de boot. De klanken van de fluit droegen ver over het water, ritmisch klonk de slag van de veerman en zelfs het klotsen van de boeggolf leek zich te voegen in de muziek. De muziek overstemde de dreiging die rondom hing, maar daaronder bleef hij alom aanwezig.
Zou het nog ver zijn naar het eiland? Vast niet, want de veerman was immers al snel op komen dagen.
Plotseling begon mijn hart weer sneller te kloppen, want een klein, vlak oplopend eiland doemde uit de mist op. Een damp steeg op uit het midden. Rook ik zwavel? Wij
naderde het eiland nu snel. Ik zag dat helemaal kaal was, op enkele boomstompen na, drie tot vier meter hoog. Het leken fossielen van wat ooit hoge bomen moeten zijn geweest.