De marskramer
een vertelling van:
Anton Greefkes
Pagina 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Zij gingen bij het vuur zitten en de Marskramer vertelde in geuren en kleuren hoe het hem was vergaan.
Toen de Dwerg hoorde hoe Skuk verslagen was,
klapte hij in zijn handen van bewondering. De tranen van ontroering stroomden
hem opnieuw over de wangen. Alles was voorbij, de eeuwen van eenzaamheid en
wachten.
Zij zwegen even toen de Marskramer uitverteld was.
De Dwerg ging staan en zei: "Geef mij het Zwaard dan kan ik het terugbrengen op de plaats waar het behoort"!
Ik stond nu ook op en trok het zwaard uit de gordel, maar voelde weer die kracht, een onbeheersbare hebzucht, die bezit nam van mijn lichaam. "Ik kan het zwaard niet meer uit handen geven, ik heb nu de macht", hoorde ik mijzelf zeggen.
Toen de Dwerg dit hoorde werd hij waanzinnig van wanhoop en woede, hij sprong over het vuur heen in een wanhopige poging het Zwaard alsnog te bemachtigen.
Arme Dwerg, het Zwaard, waarvoor hij zolang had geleefd om het zijn plaats te kunnen hergeven bij de schatten van Dworkskil, keerde zich tegen hem. Het Zwaard immers, keert zich tegen een ieder, die de drager belaagt.
Tot mijn verbijstering zag ik dat het Zwaard het hart van de Dwerg doorboorde. Vergeefs probeerde ik het Zwaard nog terug te trekken, maar het was te laat.
Ik slaakte een kreet van ontzetting, dit had ik niet gewild.
Het lichaam van de Dwerg viel op het vuur en verteerde in één grote steekvlam.
Toen hoorde ik een stem: "Dwaas, vervloekt zijt gij, die mijn trouwe bewaker doodde met uw hebzucht. Uw begeerte naar rijkdom en macht werden alleen maar versterkt door de robijnen ring en het Zwaard. Jouw hebzucht doodde niet alleen zijn bewaker maar het hele volk. Vervloekt zijt gij, Gij zult alles bezitten, het Zwaard, de Gouden Fluit en alle schatten van Dworfskil, tot in alle eeuwigheid. Eeuwig zul je de dag vervloeken dat je met je hebzucht een kans op een nieuw leven hebt vergooit en de kans te sterven".
br>
Ik verstijfde want de rots begon te schudden en weg te zinken in het moeras. Ik zag dat het deurtje in de rotswand nog openstond en vluchtte in paniek naar binnen.. Onmiddellijk sloot de deur zich achter mij en ik bevond mij een in een grote ruimte. Verlicht in een diffuus licht en in dat licht glinsterden duizenden diamanten en edelstenen. In het midden van de ruimte stond de met diamanten afgezette standaard. Ik bedacht me dat dit de standaard voor het Zwaard van Dworfskil moest zijn. Zo snel mogelijk zette ik het Zwaard in de standaard, misschien kon ik daarmee het noodlot keren.
Maar het was te laat.
Ik voelde de rots steeds verder weg zinken in het moeras. Moedeloos ging ik in de grote zetel zitten, van de bewaker van het Zwaard. Ik begreep dat ik nu het Zwaard van Dworfskil, het Zwaard van de Marskramer mocht noemen. Dat de schatten van Dworfskil van mij waren. Maar ik had niemand om mijn rijkdom mee te delen en niemand die afgunstig was om vanwege mijn rijkdom.
En ik had het eeuwige leven,
maar wat had ik daar nu aan.
Nog
altijd denk ik terug aan de tijd dat ik met mijn zware handel door de wereld
trok. Een handel die misschien niet genoeg had opgebracht om van te blijven
leven. maar één zekerheid had ik gehad. Ik was gestorven. Ik
zucht............