Op dat moment liet de Dienaar van Skuk zijn ware gedaante zien. Ik was verlamd van schrik want ik begreep dat ik en mijn volk verdoemd waren".
Het leek zo'n schattig
kind, zonder te beseffen dat ik een slang koesterde. De kinderlijke onbevangenheid, bracht het kind in mij weer tot leven en maakte mij argeloos. Honderd uit vroeg het kinf, wie ik was en wat ik deed. Ik vertelde dat ik de schatten van het Noordland bewaakte èn voegde ik er vol trots aan toe, ook het Zwaard van Dworkskil!
Het kind vroeg mij of hij het Zwaard mocht zien want zijn moeder had hem daar zoveel over verteld. Ik bezweek voor de kinderlijke onschuld. Alles had ik doorzien, maar dit niet. Ik liet hem de schatkamer zien, terwijl dat toch nadrukkelijk verboden was, maar ik was betoverd door de Dienaar en kon geen weerstand aan hem bieden, ik wist immers niet dat hij de gedaante van een kind had aangenomen.
"Ach wee mij!" riep de Dwerg uit.
De dwerg zweeg en keek peinzend in het vuur.
Ik gooide nog wat hout op het vuur en had het waarachtig met 'm te doen. Gespannen
wachtte ik wat het mannetje nog meer te vertellen had, hoewel ik kon raden hoe het zou aflopen.
"Ik liet het kind ook het Zwaard zien en ik kon geen weerstand bieden toen het kind mij vroeg het Zwaard even te mogen vasthouden.
"Op dat moment liet de Dienaar van Skuk zijn ware gedaante zien. Ik was verlamd van schrik want ik begreep dat ik en mijn volk verdoemd waren".
"O, o, ach wee mij", schreeuwde de Dwerg nogmaals uit, "hoe heb ik dat ooit kunnen doen! Ik was betoverd en zag het gevaar niet en gaf het kind het Zwaard"!
Toen liet het kind zijn ware gedaante zien en hij bespotte me.
"Dwaas die je bent, nu is het Zwaard van Dworkskil, het Zwaard van Skuk, die woont in de rokende bron midden op het eiland, dat midden in het Meer der Nevelen ligt.
Machteloos was ik, want hij die het Zwaard draagt is onoverwinnelijk. Op mijn knieën smeekte ik, het Zwaard terug te geven, maar de Dienaar bespotte mij en vervloekte mijn arme volk en verdween naar het Noorden. Het laatste wat ik van hem hoorde was zijn satanische lach die over ons arme land klonk.
br>
Met lood in de schoenen ben ik naar de Grote Wijze gegaan en heb verslag gedaan van het gebeurde. Een ieder begreep dat het ergste was gebeurd. De Raad van Wijzen werd bijeengeroepen en ik moest me verantwoorden voor mijn falen.
Was ik een volwassen Dwork geweest, dan had men mij zeker gedood, maar men oordeelde dat mijn leermeesters mij een veel te belangrijke taak hadden toebedeeld. Daarom had men mij een, in hun ogen mildere straf opgelegd, om mij de kans te geven mijn fout weer ongedaan te maken.
Waarom zij mij deze dwaze straf hebben opgelegd in plaats van onmiddellijk met man en macht te proberen het Zwaard terug te halen, dat begrijp ik nu nog niet. Maar een of andere oud gebod sloot dat uit. Dat noemde zich wijs en alwetend. Wisten zij niet dat nood de wet breekt!"
"Had men mij maar gedood , riep de dwerg uit.
"Gedoemd werd ik eeuwig op deze rots de schat te
bewaken, in afzondering van mijn volk, totdat ik er op een of andere manier in zou slagen het Zwaard weer terug te brengen op de plaats waar het hoort, dus hier.
Maar hoe. Dat wist ik niet, want ik mocht en kon geen moment deze rots verlaten
Het eens zo welvarende Rijk der Dworken is uiteen gevallen en rond de rots ontstond een moeras dat groter en groter werd. Zo zat ik eeuwen in eenzaamheid op de rots. Het leek dat ik voor eeuwig gedoemd was op deze plaats te blijven.
Tot op een dag de mens dit gebied doordrong, toen zag ik mijn kans schoon, het Zwaard weer terug te krijgen.
Maar hoe moeilijk het is om de mens vrijwillig zover te krijgen het Zwaard te zoeken merkte ik al bij de eerste mens, ik had hem mijn verhaal verteld en beloofd hem rijkelijk te belonen als hij het Zwaard voor mij zou zoeken. Hij zei tegen mij dat wel wilde doen, maar dat dan wel eerst die schat wel eens zou willen zien.
Echter toen ik hem de schat toonde werd hij zo verblind door hebzucht dat hij mij trachtte te vermoorden. Nou dat viel hem tegen, zijn gebeente rust nog daar. De Dwerg knikte met zijn hoofd richting moeras.