C.S. Adema van Scheltema

1877 - 1924

C.S. Adema van Scheltema

ADAMA VAN SCHELTEMA, Carel Steven

Carel Steven Adema van Scheltema werd geboren op 26 februari 1877, van vaderzijde uit een predikantenfamilie, door zijn moeder uit een koopmansgeslacht.
Een welvarend gezin met geestelijke en artistieke aspiraties.
Zijn vader leidde de firma Frederik Muller en was een zeer kunstzinnig man, die veel hield van schilderijen en oude boeken.
Temidden van mooie en oude dingen groeide de jongen op en zijn leven lang bleef de boekenzolder waar hij spelen mocht, in dierbare herinneringen bewaard.
Bestemd voor een universitair beroep bezocht hij het gymnasium, waar hij geen gelukkige leertijd had, ten eerste omdat hij zich anders voelde dan anderen, zwaarmoedig en eenzelvig, te tweede omdat de klassieken hem niet gelukkig maakten. De moderne geest trok hem meer aan.
Na het gymnasium ging hij medicijnen studeren, maar bracht het niet verder dan het praedeutisch examen (1898) Toch was het een tijd van sterk geestelijk leven; zijn dispuut Clio telde een groep belangrijke koppen, die voor de jonge sociaal-democratische beweging waren gewonnen. Reeds op het gymnasium had hij in de Vox Gymnasii belangrijke kritische, soms zeer scherpe en geestige bijdragen geleverd, hetgeen hij in Propia Cures voortzette, zodat men algemeen dacht, dat er een prozast uit Scheltema zou groeien. De pozie kreeg echter de overhand, al ging hij zicht eerst wijden aan het toneel.
Het toneel gaf in de praktijk te veel desillusies, de dichtader begon rijkelijk te vloeien. Vanaf 1900 volgen de dichtbundels elkander op. Financieel onafhankelijk gaat hij zich geheel aan de kunst wijden, nadat hij zijn ziel verpand had aan het socialisme (1899). Hij trouwt met Annna Kleefstra, die hem geholpen had met het drukklaar maken van de Grondslagen, leeft enige jaren in Parijs en Itali, om zich in 1913 in Bergen te vestigen, (De Windroos) waar hij in 1924 vrij plotseling overlijdt.

 

Wat kost ons hart de levensblijheid
Meer dan dat kleine beetje stille wijsheid,
Dat ‘n zonnestraal bij lentedag vertelt?”
zou naast Perk’s Wilg en Popel, Idealen, Tevredenheid kunnen staan: dezelfde ethische bespiegelingszucht, geinspireerd op een klein natuurgebeuren, dezelfde rhythmen, dezelfde nog-niet-volmaakte woordenval dikwijls.
In deze eerste verzen is Scheltema dan ook nog niet tot volle ontwikkeling gekomen. Maar voor het begrijpen van dien ontwikkelingsgang zijn ze van groot gewicht. Men is geneigd te verklaren, dat men de biografische bijzonderheden over jeugdmelancholie en latent meerwaardigheidsgevoel in afwisseling met zijn tegendeel, niet behoeft: want de dichter spreekt duidelijk genoeg in zijn eerste verzen van zijn angst voor de stad, die hij wel nog liefheeft, maar die hem beklemt; zijn verlangen, veel meer te kunnen dan hij nog kan:
0! kon ik àl die liefde in verzen dringen,
Mijn liefde in àl mijn dierbre woorden zingen,
En àl mijn woorden aan hun voeten dragen:—
Een lichte vlam sloeg uit elk woord haar zwingen,—
En deed in elke ziel den morgen dagen,
Dien in den nacht mijn dichteroogen zagen.

Toch is reeds in den bundel ”Uit den Dool” (de titel reeds verklaart veel!) niet alles alleen maar zoeken, er is ook een vinden: twee uitzichten doemen op: de natuur en sociale bewustwording, die in de volgende bundels tot prachtige rijpheid zullen gedijen.

Volksdichter is Scheltema nooit geweest. Wij zijn nu zoo langzamerhand wel in staat precies te zeggen wat een volksdichter is, want ze zijn er nu in Rusland en Duitsland, maar vooral in het land der arbeiders- en soldaten-raden: een volksdichter is een man uit het arbeidende volk of die zich geheel tot dat volk bekent en die de bewuste wil tot zegevieren en de verwachtingen, de haat en de liefde van de arbeiders, hun arbeid, hun machines, hun partijleven bezingt. (Vgl. Majakofski: 150 millioenen. Bjedniej: Hoofdstraat, Kommunistische Marseillaise. Gerasimof, Sadovjef, e. a.)
De eerste volksdichters moeten we zoeken in Engeland en Duitschland in de jaren van de opkomst der groot-industrie: bij de wevers in Silezië, bij de wolbewerkers in Engeland, waar de toon nog klagend en vloekend was (Webers-lied, The Song of the Shirt, The Lay of the Labourer). Thans is deze zuiver proletarische poëzie uitgegroeid tot een breed luid-klinkend en krachtig element in de moderne revolutionaire kultuur van Rusland en Duitschland.
Zoo was Scheltema ten eenenmale niet. Hij kende het arbeidende volk niet en zijn liefde ervoor kan het best vergeleken worden met die van de Russische intellectueelen uit de jaren van Bjelinski, Nadson en Toergeenjef, vooral Toergeenjef’s ”halve Helden” en Hamlets, Roedien, Bazarof, Neezjdanof, e.a. die gaarne pod naroda, tot het volk gingen, het hart vol hadden over zijn nood, altijd spraken over leniging en omwenteling, maar die in wezen gevoelige, als men wil: burgerlijke intellectueelen bleven, niet in staat, ook werkelijk iets te doen.
Bij Scheltema ging het als bij den kleinen Johannes: uit een vaag vriendschapsverlangen groeide vriendschap tot één enkele die zou kunnen helpen, hieruit vriendschap om zich zelve, hieruit vriendschap die geven wilde, vriend-schap tot velen, vriendschap tot allen, die echter weer vervaagde tot een schoone, maar onwerkelijke theorie. In het derde sonnet van Eerste Oogst staat:
Vriendschap reikt schoonheid in de eenzame ziel,
— Schoon is de smart, zoo hare wond weer heelde,
Schooner is liefde— en allen zijn zij schriel!
Zie vriend, die breede wereld breidt haar weelde V
Voor mijne voeten, waar ik duiz’lend viel,—
Ik snik en weet, dat ‘k nooit die schoonheid deelde.

Het begrip vriendschap is gaan leven in den dichter, maar handelend is het nog niet opgetreden.
Het sonnet: Na den Regendag bewijst reeds een minder vaag, meer positief vriend-zich-weten en vriendschap-schenken: de wind en de zomeravond zijn doorgedrongen in het hart van den dichter. En dan spreekt hij zijn vriend toe:
Vriend, luister aan mijn borst:— hoort gij den storm,
Die zingt en jaagt— juichend in ‘t harte viel,
Waarin mijn trane’ als rijpe vruchten beven?
ens spiegelt zich een gansche wereldvorm,
Als zon in dauw, in elke mensenziel—
Wij weten ‘t vriend, wij zullen ‘t niet beleven.

Maar het eenzaam-zijn steekt nog het hoofd op:
Ik vluchtte de verlaten hei,— de vorst
Der eenzaamheid, de vale raaf, gevlogen
Op mijn schouders, zat over mij gebogen,
Dat ik de bange lucht nauw aad’men dorst.

0! wanneer komt de tijd, dat ieder man
In elk paar ooge’ een vriendengroet zal lezen,
Geen mensenhart eenzaam meer leven kan!
Hoort ge hier niet de stem van moderne, pacifistische jongeren, droomend van één enkele, verzoende en bevriende mensheid:
Freund, wenn du lä;chelst
lächelt mein Herz.

Dit gevoel laat hem niet meer los. Telkens krachtiger )kent het terug. De geestelijke rijkdom van den eenling ác voor allen zijn zal:
0! ‘k voelde in mij hoe ‘t nieuwe leven groeide,—
Gaf ik aan allen— Allen ‘t gouden zaad
Van ‘t licht, dat door mijn stille handen vloeide!

En werkelijk, hoe verder wij komen in het boekje, hoe meer wij ons met den dichter voelen stijgen tot telkens lichter hoogten van sociaal idealisme, dat meer en meer het persoonlijke overwint.
Kon ik die zon aan bei mijn borsten drukken
En drinken van haar licht, dat ik in dagen
Van duisternis de mensen zou verrukken!

Dit is ten slotte heel anders dan de houding van Albert Verwey, die ”als dichter en der Schoonheid Zoon” de mensen schoonheid wil laten zien in hun leed. Inderdaad hier ligt de kloof. En wijder zal die nog gapen, wan-neer het woord Kameraden gaat klinken in Scheltema’s vers, wanneer het gezegd wordt, dat ook het volk de schoonheid moet helpen dragen.
Schudt dan uw boeien! trekt op naar de stranden!
Schoudert uw rij !
Strijdend schoon volk schakelt samen uw handen!
Viert het getij !

In de Gravers breekt het eindelijk los. De sonnetvorm moet plaats maken voor een vrijer rhythme, een aanstormend, hartstochtelijk strofisch lied. In deze daverende dactylen:
Zwánger is de aárd van een schát,
Vól van juweélen,—
Gaát gij dat duizelig pád,
Breékt uit de báanden der stád,
Schéurt uw gareélen!

is het arbeidsrhythme van sterke armen hoorbaar, straalt de gedachte dat er schoonheid is en rijkdom in dien arbeid, en wordt het moedig gezegd, dat de juweelen liggen in onze eigen harten.
Geen volksdichter is Scheltema, zeiden wij straks. Maar hier toch is de plek waar hij de massa raakt in haar diepste wezen, in haar onderduikt en haar op zijn armen neemt en dit is één van de oorzaken zijner bemindheid in zoo breede kringen.

De andere ligt in zijn beteekenis van natuurzanger, d.i. natuur-bezinger, maar, evenals dat voor den volksdichter geldt, dat hij n.l. één met het volk moet zijn, zoo is ook de ware natuurdichter één met de natuur die hij bezingt. Gevolg van dat één-zijn is, dat hij het wezen van een avond, van een bloem, van een hangenden tak, van den herfst, van de lente zoodanig in zich heeft opgenomen, dat hij dat wezen in den meest directen, meest simpelen vorm vermag weer te geven. We behoeven maar even te denken aan de 16de en 17de eeuwsche Renaissancedichters, die immers ook de natuur weer hadden ontdekt, maar dan via de bucolische en arcadische poëzie der classieken, om het verschil te zien tusschen kunstmatigheid en natuurlijkheid.
Er zijn maar heel weinig dichters, ook onder de moderne, in binnen- en buitenland, die dingen geschreven hebben als Avond, Herfstliedje (Eerste Oogst), De Tak, Populieren (Eenzame Liedjes), Herfstbosch (Zingende Stemmen). Vooral dit laatste nadert heel dicht het wereld-beroemde liedje van Goethe:
Ueber allen Gipfeln ist Ruh,
In allen Wipfeln spürest du
Kaum einen Hauch.
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur, balde
Ruhest du auch.

Over zulke verzen nog iets te zeggen heeft geen zin: zij vloeien van zelf door ons heen, als we hebben leeren luisteren en met den inhoud der woorden, met den klank en het rhythme komt het oogenblik zelf, dat de dichter vastleggen wilde, voor altijd in zijn rijkste volheid voor ons te leven. Hier heeft de dichtkunst haar hoogste taak, die van bemiddelaarster tusschen het onuitspreekbare, het Wonder en ons, bereikt.
Indien Scheltema niets anders gedaan had, zouden wij en onze nakomelingen reeds zijn schuldenaren moeten blijven.
Want het zijn zulke gedichten die door hun eenvoud, hun directheid, hun volheid van bezield leven bij allen aanspreken en dat zullen blijven doen ten spijt van nieuwe theorieën en nieuwe vormen en andere levens- en kunst-inzichten.

Het is bekend dat Scheltema een groote-stadskind was, dat hij de stad liefhad en menigmaal de stad weer zocht, ook toen hij eenmaal het geluk van het buitenleven had leeren kennen, al stelde hij dit ten slotte ook bovenaan.
In drie betrekkelijk groote gedichten wendt hij zich tot een stad, en wel achtereenvolgens Londen, Dusseldorp en Amsterdam. (De beide eerste verschenen in 1903, Amsterdam in 1904.)
Voor het beter begrijpen van den dichter en zijn kunst zijn zij m.i. van het grootste belang.
De mensch met zijn verwachtingen, zijn teleurstellingen, zijn afkeer, zijn haat en zijn liefde staat hier ten voeten uit voor ons. Maar ook de kunstenaar die voor al deze gevoelens het bindende beeld, de vormende synthese zoekt en vindt, de bouwmeester die uit zijn ervaringen en ontroeringen het hecht-gevoegde bouwwerk schept, dat tot donkere of lichtende schoonheid wordt onder zijn handen.
Alle drie deze gedichten zijn dramatisch, d.i. in den vorm van een samenspraak. In Londen zijn het de Tijd (d.i. de tijdgeest) en de Vreemdeling (d.i. de dichter) die met elkander zweven boven de metropolis. De Tijd toont den ander al het leelijke, weerzinwekkende mensch-onteerende der groote stad.
Hij wekt hem op te zien, te hooren en te ervaren. En de dichter, beschroomd, antwoordt:
Ik ben een simpel mensch.
Ik ben een dorstig kind op ’s levens akker,
Die graag het groen bezuigt, geen ploegersbaas !
En als de Tijd hem antwoordt:
Woudt gij eenzaam aan ‘t strand wat schelpen rapen
En spelen met een leege mosselschaal?
Verdwaal niet in die afgestorven hoeken,

dan is het wel duidelijk, dat de ivoren toren verlaten moet worden, dat het hart, voorloopig nog een dicht-gevouwen bloem” zich moet openen voor de schoonheid van alles rondom. Naar ‘t leven toe,” roept de Tijd, Uw schimmen zijn vervlogen. Droomer, kom mee, de Zee heeft Uw mijmeringen verzwolgen.”
De dichter, op den rug van den Tijd, voelt zich nog onbehagelijk, hij klaagt over allerlei kleine kwalen; een kille mist die van beneden naar hem toewaait:
Dat zijn al de gebeden, al de vloeken
Van duizenden,— zij drijven weg naar zee,
Geen God of mensch zal ze ooit meer kunnen zoeken!
De mist verstopt ze en de ruige nacht
Begraaft ze—

Met breeden en forschen zwaai waaien deze verzen om u heen, de dichter is in zijn volle kracht, de lyricus wordt episch, dramatisch, beeldt menschen buiten zich, al dragen ze zijn ervaringen, zijn haat, zijn verlangen naar schoonheid en liefde. De Tijd verklaart den Vreemdeling wat hij ziet: menschen, in lompen geboren om in lompen te vergaan,” menschen, de kromme logen van een heldhaftig ras.” Soldaten, geld, de nijdige haast van het verkeer, overdaad, weelde, alcohol, al die dingen die ook op onze maatschappij hun stempel drukken, gaan ons voorbij, neen door ons heen en met den Vreemdeling voelen we de bleeke hijgende haat” tegen dat alles in ons stijgen.
Ook in het gedicht Dusseldorp overheerscht de haat. Maar het is veel minder edel van toon, veel minder weidsch van vleugelslag, het is lager bij den grond, nijdiger, kleiner van voelen, alsof het gevoel zich heeft samengeperst tot een blindscheldende, machtelooze kwaadheid.
Satirisch” noemt de dichter zijn gedicht Dusseldorp.
Er komen meer personen aan te pas, dan alleen de Vreemdeling en de Tijd. We zien hier Petrus Cordatus als de belichaming van Scheltema’s idealen, Het Joodje, alles behalve zuiver geteekend in de halfslachtige imitatie van het joodsch jargon, De Boer, de Herder, het Kind, de Arbeiders, die de dichter hier de strijders voor zijn nieuwe wereld” noemt, maar die hem uitlachen en niet begrijpen, wanneer hij verklaart tot hun harten, zwaar beladen met ketenen” te willen komen. Ze nemen hem met grove grappen en leelijke woorden deerlijk in de maling en laten hem nauw voorbij, zoodat hij ten slotte geen andere termen voor hen heeft, dan:
Verdomde Schobbejakken!” stom gebroed! En als hij alleen is, klinkt het— en ook dit is teekenend voor de mentaliteit des dichters in deze jaren—:
Stomme wereld! waar ’s uw rechtvaardigheid !
...........
Krijgzuchtig hart! uw werk is nu:— vergeven!
Ik had het goed bedoeld!
Kwam ‘k dan niet aan Zooals een toekomstdroom een beter wezen!
... Die zwakken ! ach! Zij zullen wel genezen !
...Uw taak is zwaar! Hier heeft men helden noodig!
Het is volbracht! Het zaad is neergelegd
In menig rauwe ziel,- ‘t is overbodig
Hier verder stil te staan,- wij tellen niet
De wonden van dit hart- goddank ! wij tellen
Geen zegepraal!- Onnoozle dieren! ziet
Die rook ! die gaat naar stad !- mij vergezellen
Die wolken kronklend naar den strijd- de buit!
Ik voel de tranen naar mijn oogen zwellen-
Al voort! al verder dapper hart!- vooruit!

En als een jong en schitterend ridder doet Petrus zijn intocht in de stad, gereed tot den strijd.
Maar de menschen die hij er ontmoet, een lichtzinnige vrouw, een koekebakkersjongen en een baker bewijzen hem door hun zakelijkheid dat hij zoo hoog te paard zijn doel niet zal bereiken. Trouwens, Petrus Cordatus maakt wel een beetje den indruk van Don Quichotte, den ridder van de droevige figuur. Zijn hoogdravende woorden en zijn volkomen wanbegrip omtrent de bedoelingen en het leven der menschen doen deernis-, zoo niet, lachwekkend aan.
In het derde gedeelte, De Uittocht, komt Petrus in gesprek met achtereenvolgens drie fabrikanten, wien hij bier presenteert om ze daarna uit te schelden, omdat ze fabrikanten zijn. Wanneer hij den derden fabrikant bier over het hoofd heeft gestort, wordt hij uit het café geduwd en beklaagt zich dan nog over de snoodheid der menschen.
Zooals gezegd, dit tweede Stedengedicht kunnen wij niet bewonderen. Het is te opzettelijk, gezwollen van stijl en vooral gezwollen van gevoel.
Het derde, Amsterdam, daarentegen, is een meesterwerk; daar wij er een groot fragment uit opnemen in de volgende bladzijden, zullen we er te dezer plaatse kort over zijn.
Amsterdam is met het hart geschreven. Liefde en be-wondering hebben er peet over gestaan. En men moet terug gaan tot Vondels verheerlijkende verzen over zijn vaderstad, om iets te vinden, dat in deze soort Scheltema’s Amsterdam benadert. Vondeliaansch is de proloog met zijn prachtige, gedragen, klank- en beeldrijke verzen; bezield, ontroerd tot aan de wortels van het leven, vragend en zoekend zijn de zeven zangen, waarin het is verdeeld. Die zeven zangen zijn gewijd aan den hoogmoed, aan de gierigheid, aan de onkuischheid, aan den nijd, aan de gulzigheid, aan de gramschap en aan de traagheid. In het proza van den Vrager, de poëzie van Marianne, de stedenmaagd en moederlijke raadgeefster van den zoeken-den Vrager leeft de angstige beschroomdheid van de jonge menschenziel die bezig is open te gaan en de schoonheid ontwaart om zich en in zich, maar die tegelijkertijd de schrijnende herinnering heeft aan de ondergangen van het verloren paradijs der kindsheid.
Vele problemen zijn verstild en verdiept in den geest des dichters, maar ook lijdt hij nog aan al waaraan den-kende menschen moeten lijden.
Amsterdam is méér dan een loflied op de groote stad, het is een lied van inkeer, bekentenis, vragen en ontdekken.

Het laatste groote dichtwerk dat Scheltema naliet was De Tors, dat in 1924 verscheen in een Voorzang en zes zangen. Hierin is Scheltema’s levenservaring gekristallizeerd tot diepe en schoone bespiegelingen.
Van de zeven gezangen heeft de dichter er nog vier gedrukt gezien in zijn tijdschrift Orpheus.
Een Torso, ontdekt in een ouden tuin, die als een verloren paradijs” was, inspireert hem:
Maar in mij ging dat beter leven spreken:
De droom, waar alle schoonheid van bestaat.
Niets leefde er dan mijn hart als deel
Van dat geheel: ik was alleen gebleven—
Vóór mij de tors tegen een wand fluweel. >

En dan wordt dat woord gesproken, dat de revolutionaire geest niet kent, maar waar, naar ik overtuigd ben, de echte dichter toch altijd te eeniger tijd toe terug moet keeren:

Gezegend zij de eerbied in uw midden,
Gezegend zij de ziel die weer leert bidden!

De machten Liefde en Schoonheid worden opgeroepen om hem te leiden, maar in den loop van het dichtwerk worden ze wortel, kern en doel van het geheel.
De Tors is het in schoonheid beleden lied der liefde tot de geheele menschheid, maar ook tot de aarde, tot de natuur, tot het leven.
Zeker, wij verlangen naar de grenzenlooze landen der godlijke beloften”, wij willen daarheen waar alle droomen dagen”. Het is de schoonheid die ons doet gelooven, verbeelding die ons de schoonheid doet beleven:
Uit aardsch bedrang van kleine tegendeelen
Draagt ons een weifelende harmonie,
Waar nog maar vlagen van muziek door spelen…

Maar toch, al dragen wij deze droomen, deze verlangens, wij vragen toch ook reeds wat heil op aarde, gaarne tasten we de vruchten die voor onze handen hangen. En de dichter zegt:
Want ach: een deel van dit bestaan te blijven
Is toch waar ieder sterflijk lijf naar tracht—
Zij ‘t door zijn bloed in andren uit te drijven,
Zij het door als een vogel in den nacht
Het lied voor anderen te blijven zingen.. .

Dit beduidt dat scheppen voor den mensch heerlijkste daad-van-leven is, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk door als kunstenaar het vliedend levenslied der menschen” vóór de menschen te zingen.
Leven wordt enkel door te scheppen levenswaard”. luidt het even verder. En scheppen is liefde en schoonheid saam belijden”. Het hoogste doel is door die beiden God te beleven uit den chaos van de plagen dezer aarde, d.w.z. ons het goddelijke bewust te worden door middel van en uit de aardsche aangelegenheden.
Het komt mij voor dat deze kernwaarheid omtrent het wezen der scheppende kunst door niet heel veel dichters zoo dicht benaderd en zoo sterk in schoonheid is geopenbaard.
Zooals Gorter in Mei en Pan zijn hoogtepunten bereikt, zoo is de Tors het hoogtepunt van Scheltema’s kunst, waarin de dichter ver is uitgegroeid boven èn zijn individualistische rudimenten, èn zijn maatschappelijke sympathieën.
Het is dan ook werkelijk niet alleen terwille van de populair-geworden poëzie dat wij het nuttig en noodig oordeelden een bloemlezing te verzamelen uit zijn geheele oeuvre, een bloemlezing die wel is waar in de eerste plaats voor de school bestemd is, maar die ook in ruimer kring op belangstelling aanspraak wil maken; zij wil een globaal overzicht geven in kenmerkende fragmenten van al wat Scheltema heeft gepubliceerd, maar daar nevens ook op-wekken om kennis te maken met het geheele oeuvre van dezen stillen, voornamen, diep en teer voelenden mensch die te vroeg van ons is heengegaan.