ADAMA VAN SCHELTEMA, Carel Steven
Carel Steven Adema van Scheltema werd geboren op 26 februari 1877, van vaderzijde uit een predikantenfamilie, door zijn moeder uit een koopmansgeslacht.
Een welvarend gezin met geestelijke en artistieke aspiraties.
Zijn vader leidde de firma Frederik Muller en was een zeer kunstzinnig man, die veel hield van schilderijen en oude boeken.
Temidden van mooie en oude dingen groeide de jongen op en zijn leven lang bleef de boekenzolder waar hij spelen mocht, in dierbare herinneringen bewaard.
Bestemd voor een universitair beroep bezocht hij het gymnasium, waar hij geen gelukkige leertijd had, ten eerste omdat hij zich anders voelde dan anderen, zwaarmoedig en eenzelvig, te tweede omdat de klassieken hem niet gelukkig maakten. De moderne geest trok hem meer aan.
Na het gymnasium ging hij medicijnen studeren, maar bracht het niet verder dan het praedeutisch examen (1898) Toch was het een tijd van sterk geestelijk leven; zijn dispuut Clio telde een groep belangrijke koppen, die voor de jonge sociaal-democratische beweging waren gewonnen. Reeds op het gymnasium had hij in de Vox Gymnasii belangrijke kritische, soms zeer scherpe en geestige bijdragen geleverd, hetgeen hij in Propia Cures voortzette, zodat men algemeen dacht, dat er een prozast uit Scheltema zou groeien. De pozie kreeg echter de overhand, al ging hij zicht eerst wijden aan het toneel.
Het toneel gaf in de praktijk te veel desillusies, de dichtader begon rijkelijk te vloeien. Vanaf 1900 volgen de dichtbundels elkander op. Financieel onafhankelijk gaat hij zich geheel aan de kunst wijden, nadat hij zijn ziel verpand had aan het socialisme (1899). Hij trouwt met Annna Kleefstra, die hem geholpen had met het drukklaar maken van de Grondslagen, leeft enige jaren in Parijs en Itali, om zich in 1913 in Bergen te vestigen, (De Windroos) waar hij in 1924 vrij plotseling overlijdt.
SCHELTEMA ALS MENS EN KUNSTENAAR
OMSTREEKS 1900 was de Nieuwe Gids als litteraire beweging nog nauwelijks doorgedrongen tot de scholen, de universiteiten en het leven en toch reeds innerlijk bezig in een te vallen als een Japanse
papieren bloem op water. Professoren en leraren negeerden haar, de nette mensen, laat staan de nog-niet ”nette” standen maakten de zaak in commissie en van hooren zeggen belachelijk. En toch, zij was reeds aan het ondergaan. Waardoor?
1.door de diepgaande verschillen in levens- en kunstbeschouwing tusschen de vijf Nieuwe Gidsers zelf. Frederik van Eeden was de eerste die het uiterste subjectivisme en het fart pour 1’art-beginsel aanviel om daar zijn ”Ga tot de mensheid en haar weedom” tegenover te plaatsen.
2. door de begrijpelijke en noodzakelijke aanvallen van hen die voor de sociaal-democratische denkbeelden gewonnen waren (van der Goes, Gorter, Scheltema).
3.door het snel en verstikkend opkomende geslacht der herhalende, na-voelende en na-sonnetten-makende epigonen, die Kloos’ eerste hartstochtelijkheid en schoonheidsdrift in een starre woord- en vormenkunst dedenverstikken.
4.doordat het elan van den leider al spoedig verslapte, toen van minstens drie zijden (Verwey, van Eeden, Gorter) nieuwe denk- en daaruit voortspruitende kunstrichtingen de eigenlijke N. G.-beginselen overwoekerden.
Zelden is een geestelijke beweging zoo spoedig aan haar theoretische vastlegging, d.i. aan haar dood toe geweest als de ”Beweging van ‘8o”.
En toch- alweer: en toch- is haar invloed geweldig geweest. Men zou die in een zin kunnen vastleggen: – De mensen hebben van haar geleerd wat een dichter is !
Dit geldt voor allen die ooit kritiek op haar wezen hebben geoefend en voor de sociaal-democraten in de eerste plaats.
Garter noch Scheltema zijn denkbaar zonder Kloos en Perk. Gorter’s Mei is het hoogtepunt van K1oos’ levenshouding, Scheltema’s litteraire ontroeringen wortelen in De Beweging van ‘80.
Aileen tot op zekere hoogte, n.l. wat betreft de sociale betekenis der dichtkunst en wat betreft de ontroeringsbronnen zijn zij, een den jaar jongere generatie, andere wegen gegaan.
Omtrent het wezen van het dichterschap kon men sedert Kloos niets nieuws meer zeggen- en dat heeft ook niemand gedaan!- Maar dat de landen van de dichterwereld werden opengesteld voor allen, in plaats van voor de enkele verwante ingewijden, was het logisch gevolg van de invloeden der sociaal democratische ‘denkbeelden en de daarmee ontkiemende overtuiging omtrent de waarde van den mens-op-zich-zelf.
En dat de bronnen waaruit het gedicht welde niet meer uitsluitend waren de verfijnde emoties van verfijnde naturen omtrent het Schoone, maar al wat de mens, in welke omgeving ook, persoonlijk, en al wat de mensheid als groep of massa, gezamenlijk beleed, dacht, gevoelde, wenschte, ook dit was lets dat komen moest na de hoogspanning van Balders ik-verheerlijking.
Zoo zijn dan ook Gorter, H. Roland Holst, Scheltema, van Collem verschijnselen die moesten komen, organisch, vanzelfsprekend. Thans na zooveel jaren zien wij dat zij niet alleen drijvers, maar gedrevenen waren, uitvoerders van den wil die in de evolutie van het menselijk voelen en denken ligt.
Meer dan Kloos c.s. afhankelijk van en verbonden met hun onmiddellijke voorgangers, lieten zij het begrip dichterschap ankeren in veel breeder en lager groepen hunner tijdgenooten en leerden zij dat ook in het donker, in het leed, en in de alledaagschheid het wonder van de schoonheid en van het bezielde lag.
Ieder deed dat op zijn wijze.
Scheltema deed het zoo, dat door hem het grootst aantal mensen de liefde deelachtig werd tot het wonder der dichtkunst.
Daardoor moest hij dikwijls afdalen tot hun geestelijk niveau en de ”voorname dichters” hebben niet nagelaten hem daarvan een verwijt te maken. Maar hij verstond de kunst zijn lezers op een hooger plan te brengen. Zoo werd hij de onmisbare bemiddelaar tusschen de toppen van den Olympus en de laagvlakte.
De plaats die de dichter Adama van Scheltema inneemt in onze letterkunde is nog niet precies omschreven. Wie zich in zijn werk verdiept, begrijpt dat het niet aangaat hem zonder meer tot de socialistische dichters te rekenen, zooals dit nog al te vaak geschiedt. Maar ook een individualist als Moos en van Deyssel kan hij niet genoemd worden.
Wanneer wij trachten ons rekenschap te geven van den zin dezer begrippen, dan komen wij, theoretisch-gesproken, tot het inzicht, dat de individualist zich hoofdzakelijk bezig houdt met zijn eigen problemen, met zijn persoonlijke verhoudingen tegenover de mensen, de natuur en de dingen, terwijl de socialistische dichter in de eerste plaats bewogen wordt door de moeiten en de smarten zijner medemensen, voor zoover die moeiten en die smarten voortkomen uit sociale (wan)toestanden.
Nu spreekt het van zelf, dat geen mens alleen maar het eene, of alleen maar het andere nastreeft. Ieder heeft sociale neigingen in mindere of meerdere mate en ieder
is in laatste instantie individualist, d.i. eenling, ik-mens, bron van gevoelens en gedachten, echo van ervaringen en bevindingen die van buiten komen. 1)
Wanneer we echter toch de indeeling kunnen maken van individualistische en socialistische dichters, komt dat doordat een man als Kloos in hoofdzaak persoonlijke aangelegenheden bezingt en die juist door hun algemeene menselijkheid voor velen groote waarde hebben, terwijl de ander zijn scheppingsdrang vooral richt op kunstwerken die aan de sociale nooden zijn ontleend.
Scheltema’s ontwikkelingsgang nu bewijst, dat bij hem beide richtingen voortdurend met elkander in strijd zijn geweest, dat hij, evenals zijn als dichter machtiger tijdgenoot Herman Gorter, als individualist is begonnen en dat hij dit individualisme evenmin als Gorter geheel en al vermocht te overwinnen, hoe gaarne hij dat ook had gewild.
Trouwens, om een volkomen socialistisch dichter te zijn, zou men zijn dichterschap, dat immers een geheel persoonlijke aangelegenheid is, in die mate behooren te overwinnen, dat men niet meer spreken zou uit de ik-sfeer, waarin ieder mens- en de dichter vooral- nu eenmaal is opgesloten, maar men zou het ”gij” en het ”wij” zoo zeer tot zijn eigen gemaakt moeten hebben, dat alle persoonlijke dingen organisch werden opgelost in het ”Seid umschlungen Millionen, Diesen Kuss der ganzen Welt.”
En dit is iets wat van geen mens, ook niet van den socialistischen dichter, verwacht kan worden.
Merkwaardig echter hoe bij Scheltema toch iets dergelijks plaats vindt bij het rijpen van zijn dichterlijk kunnen.
In haar inleiding tot een bundel revolutionaire poezie, ”Tijdsignalen” wil mevrouw H. Roland Hoist aan niet-socialistische dichters sociaal gevoel niet ontzeggen. Maar zij meent toch wel een wezenlijk kemverschil te zien tusschen socialistische en burgerlijke dichters. Ik ben dit niet met haar eens en vind haar argumenten allerminst overtuigend.
Eens, toen ik mijn spel en smart
En heel mijzelf vergat,
En ik als kind alleen
Oneindig verbaasd
Een ander kind op de wereld vond, Vloeide mijn kleine hart
Over in een ander hart,
En schonk ik mij zelve weg,
En leerde ik wat liefde was.
Reeds in de korte inleiding tot den bundel Eerste Oogst (een bloemlezing uit de beide eerste boekjes: Een Weg van Verzen en Uit den Dool van 1900 en 1901) verklaart de dichter, dat hij bier verzamelde ”wat hij door de jaar getijden heen zich als een ontwikkeling had zien verbeelden van meer persoonlijk-bijzondere naar meer algemeen-menselijke ontvankelijkheden”. Deze eerste bloemlezing, schrijft hij, vormt met de vier volgende een geheel en ”voor de lyriek daarmee te zamen een practijk der theoretische beschouwingen, welke (hij) als de grondslagen eener nieuwe poezie had ontwikkeld.”
In deze Grondslagen nu was hij op bijzonder felle wijze (de tijd heeft geleerd te felle en dikwijls onrechtvaardige wijze) van leer getrokken tegen de theorie en de praktijk der Nieuwe Gidsers, in wier werk hij vooral het individualistische, het fart pour 1’art-beginsel veroordeelde.
Zelf aristocraat van den geest, geboren in een intellectueel-hoogstaande en gegoed-burgerlijke familie, afkeerig
van het profanum volgus, maar buitendien eenzelvig, exclusief in de keuze zijner vrienden, melancholicus en dus moeilijk ontvankelijk voor de gezelligheid, het gemeenschappelijke en het alledaagsche, moeilijk derhalve voor zich zelve, zoekend en nog-niet-vindend, werden de artikelen van Herman Gorter in de Nieuwe Tijd voor den jongen Scheltema zooveel openbaringen:
”Poezie ontstaat, wanneer het lichaam zoo ontroerd is, dat de ontroering zich oplost, een uitweg zoekt door de spraak. Maar poëzie richt zich ook tot de hoorders, zij ontstaat ook door de behoefte aan mededeeling, zij wil anderen doen lijden wat zij zelf geleden heeft. Poëzie is dus niet alleen de belichaming van een persoonlijk gevoelsleven, maar ook de belichaming van het gevoelsleven van vele mensen, van groepen van mensen. Poëzie is het beeld van het gevoelsleven van een tijd” ... schreef Gorter daar en Scheltema begon te begrijpen, dat de N. G.-kunst en het socialisme onverbiddelijke vijanden moesten zijn (H. Bolkestein Levensbericht. br>Zoo wordt Scheltema socialist, maar, merkt zijn levensbeschrijver terecht op: ”niet om de arbeiders of de wereld te dienen, maar om zijn eigen ziel te redden en zijn kunst.” 2)
Scheltema’s socialisme is dan ook geen politiek gerichte geesteshouding, geen strijdbaar marxisme, maar een edelmoedig streven naar een aesthetisch zichzelf bevrijden van de slakken en banden der burgerlijkheid door middel van sociale, soms ook socialistische idealen en doelstellingen.
De Grondslagen zijn de stormachtige neerslag van dezen ommekeer in strijdlustig theoretizeerend proza.
Van de 94 gedichten in den eersteri druk van Een Weg van Verzen, zijn er in de bloemlezing slechts 28 overgebleven, van den bundel Uit den Dool 35 van de 60.
Het ware van belang nauwkeurig na te gaan, wit verdwenen is en waarom. Dit zou evenwel den omvang van deze inleiding verre te buiten gaan. Slechts zij herinnerd aan de woorden, waarmede de dichter zijn eerste verzen de wereld in zond:
”Ik heb ze (de verzen n.1.) uit den oorlog van mijn binnenste opgeschreven, ik heb ze daarin zelve als wapens gebruikt… voor die, tot den adel van ‘t socialisme van jongs of geslagen, toch de gevoels- en geestesstroomingen der bourgeoisie om zich hebben gevoeld en gezien; voor alien, die willen waarachtig leven en het leven begrijpen, die willen vechten voor hun geluk met de wapens van hun geest, met de schoonheid van hun ziel, met de liefde voor die om hen staan- aan die allen geef ik deze verzen over als teekenen van eigen strijd.”
Me dunkt, in deze woorden ligt duidelijk opgesloten wat Scheltema’s opvatting van het dichterschap is: door middel van het eigene, individueele, komen tot het algemeene. Aan deze opvatting heeft hij zich altijd gehouden. Dichten is een zich bevrijden van eigen moeilijkheden ten bate van allen.
Men kan in het oeuvre van Scheltema gevoegelijk de acht bundels lyriek, het meest bekende en geliefde deel van ’s dichters nalatenschap, als een eenheid nemen naast het andere werk. Zij geven een duidelijk beeld van de wording, den bloei en het vergaan van de idealen en liefden van den dichter. Wij zien er drie draden, tot een enkelen samengeweven, dikwijls moeilijk genoeg te ontwarren tot zijn oorspronkelijke bestanddeelen: de draad van het individualisme, geleidelijk overgaand in, zich vereenzelvigend met den befaamden rooden draad van het gemeenschapsbesef, om ten slotte weer los van elkander te geraken in de Keerende Kudde; daartusschen door slingert zich, altijd bloeiend van begin tot einde, de liefde tot de natuur, de beide uitersten van ’s dichters ontroeringen bevruchtend. De natuur helpt hem altijd weer, de bevrijding van het Ik te benaderen of te bereiken, de natuur helpt hem de rijkdommen van zijn hart, zich in mensheidsliefde te ontlasten, de natuur is hem de muze, die inspireert, loutert en bevrijdt en door zijn liefde tot haar was het hem gegeven, over haar diepste wezen te zingen, zooals slechts weinigen dat vermochten.
De eerste bundels gedichten zijn de eerste producten van dit geestelijk louteringsproces. Merkwaardig hoezeer ik-gevoel en gemeenschapsgevoel hier met elkander strijden, hoezeer de nog afzijds staande ikheid telkens overwint in trotsche, koude woorden van critiek op mensen en wereld, in deemoedige bekentenissen omtrent eigen zoeken zonder te vinden of wel in liefdevolle overgave aan de innerlijk ervaren schoonheid van de dingen, rondom.
Daar is het sonnet Hoogmoed:
‘k Lag eenzaam aan het strand van donkren trots: De zee zong ‘t eindloos lied van kwade eerzucht, En ‘k zag met hoogmoed naar de diepe lucht En strekte d’ arm om van de voeten Gods
De zilvren star te slaan.. .
Tenslotte leeft hier ook reeds de haat tegen bepaalde vormen van samenleving:
Ai veil geslacht! dat wikt en weegt en telt,
Van andren koopt hun liefde en laf geweten,
Dat lacht en kruipt en zinkt in zonde en zweet, en
Meer nog dan dat:- uw ziel verkoopt voor geld!
Dit is overigens niet de eenige plaats waar in dit eerste werk de stem van Kloos weerklinkt. Of liever diens vorm: het sonnet, zooals Perk, Kloos en Verwey dat hanteerden, is ook voor. Scheltema voorloopig nog hoofdzakelijk uitingsmiddel. De typische strakheid van bouw, de typische hoogmoed van toon, de eigenaardige ”zooals-zoo’s” zijn in dezen bundel schering en inslag. Een sonnet als ”Aan den Vijver”, dat aldus inzet:
Toen kwam de zon!—
De hemel, schoongeveegd,
Leek versche lucht, van voorjaarsvreugde dronken… en eindigt met deze terzine:
Maar ‘k dacht: ”
Wat kost ons hart de levensblijheid
Meer dan dat kleine beetje stille wijsheid,
Dat ‘n zonnestraal bij lentedag vertelt?”
zou naast Perk’s Wilg en Popel, Idealen, Tevredenheid kunnen staan: dezelfde ethische bespiegelingszucht, geinspireerd op een klein natuurgebeuren, dezelfde rhythmen, dezelfde nog-niet-volmaakte woordenval dikwijls.
In deze eerste verzen is Scheltema dan ook nog niet tot volle ontwikkeling gekomen. Maar voor het begrijpen van dien ontwikkelingsgang zijn ze van groot gewicht. Men is geneigd te verklaren, dat men de biografische bijzonderheden over jeugdmelancholie en latent meerwaardigheidsgevoel in afwisseling met zijn tegendeel, niet behoeft: want de dichter spreekt duidelijk genoeg in zijn eerste verzen van zijn angst voor de stad, die hij wel nog liefheeft, maar die hem beklemt; zijn verlangen, veel meer te kunnen dan hij nog kan:
0! kon ik àl die liefde in verzen dringen,
Mijn liefde in àl mijn dierbre woorden zingen,
En àl mijn woorden aan hun voeten dragen:—
Een lichte vlam sloeg uit elk woord haar zwingen,—
En deed in elke ziel den morgen dagen,
Dien in den nacht mijn dichteroogen zagen.
Toch is reeds in den bundel ”Uit den Dool” (de titel reeds verklaart veel!) niet alles alleen maar zoeken, er is ook een vinden: twee uitzichten doemen op: de natuur en sociale bewustwording, die in de volgende bundels tot prachtige rijpheid zullen gedijen.
Volksdichter is Scheltema nooit geweest. Wij zijn nu zoo langzamerhand wel in staat precies te zeggen wat een volksdichter is, want ze zijn er nu in Rusland en Duitsland, maar vooral in het land der arbeiders- en soldaten-raden: een volksdichter is een man uit het arbeidende volk of die zich geheel tot dat volk bekent en die de bewuste wil tot zegevieren en de verwachtingen, de haat en de liefde van de arbeiders, hun arbeid, hun machines, hun partijleven bezingt. (Vgl. Majakofski: 150 millioenen. Bjedniej: Hoofdstraat, Kommunistische Marseillaise. Gerasimof, Sadovjef, e. a.)
De eerste volksdichters moeten we zoeken in Engeland en Duitschland in de jaren van de opkomst der groot-industrie: bij de wevers in Silezië, bij de wolbewerkers in Engeland, waar de toon nog klagend en vloekend was (Webers-lied, The Song of the Shirt, The Lay of the Labourer). Thans is deze zuiver proletarische poëzie uitgegroeid tot een breed luid-klinkend en krachtig element in de moderne revolutionaire kultuur van Rusland en Duitschland.
Zoo was Scheltema ten eenenmale niet. Hij kende het arbeidende volk niet en zijn liefde ervoor kan het best vergeleken worden met die van de Russische intellectueelen uit de jaren van Bjelinski, Nadson en Toergeenjef, vooral Toergeenjef’s ”halve Helden” en Hamlets, Roedien, Bazarof, Neezjdanof, e.a. die gaarne pod naroda, tot het volk gingen, het hart vol hadden over zijn nood, altijd spraken over leniging en omwenteling, maar die in wezen gevoelige, als men wil: burgerlijke intellectueelen bleven, niet in staat, ook werkelijk iets te doen.
Bij Scheltema ging het als bij den kleinen Johannes: uit een vaag vriendschapsverlangen groeide vriendschap tot één enkele die zou kunnen helpen, hieruit vriendschap om zich zelve, hieruit vriendschap die geven wilde, vriend-schap tot velen, vriendschap tot allen, die echter weer vervaagde tot een schoone, maar onwerkelijke theorie. In het derde sonnet van Eerste Oogst staat:
Vriendschap reikt schoonheid in de eenzame ziel,
— Schoon is de smart, zoo hare wond weer heelde,
Schooner is liefde— en allen zijn zij schriel!
Zie vriend, die breede wereld breidt haar weelde V
Voor mijne voeten, waar ik duiz’lend viel,—
Ik snik en weet, dat ‘k nooit die schoonheid deelde.
Het begrip vriendschap is gaan leven in den dichter, maar handelend is het nog niet opgetreden.
Het sonnet: Na den Regendag bewijst reeds een minder vaag, meer positief vriend-zich-weten en vriendschap-schenken: de wind en de zomeravond zijn doorgedrongen in het hart van den dichter. En dan spreekt hij zijn vriend toe:
Vriend, luister aan mijn borst:— hoort gij den storm,
Die zingt en jaagt— juichend in ‘t harte viel,
Waarin mijn trane’ als rijpe vruchten beven?
ens spiegelt zich een gansche wereldvorm,
Als zon in dauw, in elke mensenziel—
Wij weten ‘t vriend, wij zullen ‘t niet beleven.
Maar het eenzaam-zijn steekt nog het hoofd op:
Ik vluchtte de verlaten hei,— de vorst
Der eenzaamheid, de vale raaf, gevlogen
Op mijn schouders, zat over mij gebogen,
Dat ik de bange lucht nauw aad’men dorst.
0! wanneer komt de tijd, dat ieder man
In elk paar ooge’ een vriendengroet zal lezen,
Geen mensenhart eenzaam meer leven kan!
Hoort ge hier niet de stem van moderne, pacifistische jongeren, droomend van één enkele, verzoende en bevriende mensheid:
Freund, wenn du lä;chelst
lächelt mein Herz.
Dit gevoel laat hem niet meer los. Telkens krachtiger )kent het terug. De geestelijke rijkdom van den eenling ác voor allen zijn zal:
0! ‘k voelde in mij hoe ‘t nieuwe leven groeide,—
Gaf ik aan allen— Allen ‘t gouden zaad
Van ‘t licht, dat door mijn stille handen vloeide!
En werkelijk, hoe verder wij komen in het boekje, hoe meer wij ons met den dichter voelen stijgen tot telkens lichter hoogten van sociaal idealisme, dat meer en meer het persoonlijke overwint.
Kon ik die zon aan bei mijn borsten drukken
En drinken van haar licht, dat ik in dagen
Van duisternis de mensen zou verrukken!
Dit is ten slotte heel anders dan de houding van Albert Verwey, die ”als dichter en der Schoonheid Zoon” de mensen schoonheid wil laten zien in hun leed. Inderdaad hier ligt de kloof. En wijder zal die nog gapen, wan-neer het woord Kameraden gaat klinken in Scheltema’s vers, wanneer het gezegd wordt, dat ook het volk de schoonheid moet helpen dragen.
Schudt dan uw boeien! trekt op naar de stranden!
Schoudert uw rij !
Strijdend schoon volk schakelt samen uw handen!
Viert het getij !
In de Gravers breekt het eindelijk los. De sonnetvorm moet plaats maken voor een vrijer rhythme, een aanstormend, hartstochtelijk strofisch lied. In deze daverende dactylen:
Zwánger is de aárd van een schát,
Vól van juweélen,—
Gaát gij dat duizelig pád,
Breékt uit de báanden der stád,
Schéurt uw gareélen!
is het arbeidsrhythme van sterke armen hoorbaar, straalt de gedachte dat er schoonheid is en rijkdom in dien arbeid, en wordt het moedig gezegd, dat de juweelen liggen in onze eigen harten.
Geen volksdichter is Scheltema, zeiden wij straks. Maar hier toch is de plek waar hij de massa raakt in haar diepste wezen, in haar onderduikt en haar op zijn armen neemt en dit is één van de oorzaken zijner bemindheid in zoo breede kringen.
De andere ligt in zijn beteekenis van natuurzanger, d.i. natuur-bezinger, maar, evenals dat voor den volksdichter geldt, dat hij n.l. één met het volk moet zijn, zoo is ook de ware natuurdichter één met de natuur die hij bezingt. Gevolg van dat één-zijn is, dat hij het wezen van een avond, van een bloem, van een hangenden tak, van den herfst, van de lente zoodanig in zich heeft opgenomen, dat hij dat wezen in den meest directen, meest simpelen vorm vermag weer te geven. We behoeven maar even te denken aan de 16de en 17de eeuwsche Renaissancedichters, die immers ook de natuur weer hadden ontdekt, maar dan via de bucolische en arcadische poëzie der classieken, om het verschil te zien tusschen kunstmatigheid en natuurlijkheid.
Er zijn maar heel weinig dichters, ook onder de moderne, in binnen- en buitenland, die dingen geschreven hebben als Avond, Herfstliedje (Eerste Oogst), De Tak, Populieren (Eenzame Liedjes), Herfstbosch (Zingende Stemmen). Vooral dit laatste nadert heel dicht het wereld-beroemde liedje van Goethe:
Ueber allen Gipfeln ist Ruh,
In allen Wipfeln spürest du
Kaum einen Hauch.
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur, balde
Ruhest du auch.
Over zulke verzen nog iets te zeggen heeft geen zin: zij vloeien van zelf door ons heen, als we hebben leeren luisteren en met den inhoud der woorden, met den klank en het rhythme komt het oogenblik zelf, dat de dichter vastleggen wilde, voor altijd in zijn rijkste volheid voor ons te leven. Hier heeft de dichtkunst haar hoogste taak, die van bemiddelaarster tusschen het onuitspreekbare, het Wonder en ons, bereikt.
Indien Scheltema niets anders gedaan had, zouden wij en onze nakomelingen reeds zijn schuldenaren moeten blijven.
Want het zijn zulke gedichten die door hun eenvoud, hun directheid, hun volheid van bezield leven bij allen aanspreken en dat zullen blijven doen ten spijt van nieuwe theorieën en nieuwe vormen en andere levens- en kunst-inzichten.
Het is bekend dat Scheltema een groote-stadskind was, dat hij de stad liefhad en menigmaal de stad weer zocht, ook toen hij eenmaal het geluk van het buitenleven had leeren kennen, al stelde hij dit ten slotte ook bovenaan.
In drie betrekkelijk groote gedichten wendt hij zich tot een stad, en wel achtereenvolgens Londen, Dusseldorp en Amsterdam. (De beide eerste verschenen in 1903, Amsterdam in 1904.)
Voor het beter begrijpen van den dichter en zijn kunst zijn zij m.i. van het grootste belang.
De mensch met zijn verwachtingen, zijn teleurstellingen, zijn afkeer, zijn haat en zijn liefde staat hier ten voeten uit voor ons. Maar ook de kunstenaar die voor al deze gevoelens het bindende beeld, de vormende synthese zoekt en vindt, de bouwmeester die uit zijn ervaringen en ontroeringen het hecht-gevoegde bouwwerk schept, dat tot donkere of lichtende schoonheid wordt onder zijn handen.
Alle drie deze gedichten zijn dramatisch, d.i. in den vorm van een samenspraak. In Londen zijn het de Tijd (d.i. de tijdgeest) en de Vreemdeling (d.i. de dichter) die met elkander zweven boven de metropolis. De Tijd toont den ander al het leelijke, weerzinwekkende mensch-onteerende der groote stad.
Hij wekt hem op te zien, te hooren en te ervaren. En de dichter, beschroomd, antwoordt:
Ik ben een simpel mensch.
Ik ben een dorstig kind op ’s levens akker,
Die graag het groen bezuigt, geen ploegersbaas !
En als de Tijd hem antwoordt:
Woudt gij eenzaam aan ‘t strand wat schelpen rapen
En spelen met een leege mosselschaal?
Verdwaal niet in die afgestorven hoeken,
dan is het wel duidelijk, dat de ivoren toren verlaten moet worden, dat het hart, voorloopig nog een dicht-gevouwen bloem” zich moet openen voor de schoonheid van alles rondom. Naar ‘t leven toe,” roept de Tijd, Uw schimmen zijn vervlogen. Droomer, kom mee, de Zee heeft Uw mijmeringen verzwolgen.”
De dichter, op den rug van den Tijd, voelt zich nog onbehagelijk, hij klaagt over allerlei kleine kwalen; een kille mist die van beneden naar hem toewaait:
Dat zijn al de gebeden, al de vloeken
Van duizenden,— zij drijven weg naar zee,
Geen God of mensch zal ze ooit meer kunnen zoeken!
De mist verstopt ze en de ruige nacht
Begraaft ze—
Met breeden en forschen zwaai waaien deze verzen om u heen, de dichter is in zijn volle kracht, de lyricus wordt episch, dramatisch, beeldt menschen buiten zich, al dragen ze zijn ervaringen, zijn haat, zijn verlangen naar schoonheid en liefde. De Tijd verklaart den Vreemdeling wat hij ziet: menschen, in lompen geboren om in lompen te vergaan,” menschen, de kromme logen van een heldhaftig ras.” Soldaten, geld, de nijdige haast van het verkeer, overdaad, weelde, alcohol, al die dingen die ook op onze maatschappij hun stempel drukken, gaan ons voorbij, neen door ons heen en met den Vreemdeling voelen we de bleeke hijgende haat” tegen dat alles in ons stijgen.
Ook in het gedicht Dusseldorp overheerscht de haat. Maar het is veel minder edel van toon, veel minder weidsch van vleugelslag, het is lager bij den grond, nijdiger, kleiner van voelen, alsof het gevoel zich heeft samengeperst tot een blindscheldende, machtelooze kwaadheid.
Satirisch” noemt de dichter zijn gedicht Dusseldorp.
Er komen meer personen aan te pas, dan alleen de Vreemdeling en de Tijd. We zien hier Petrus Cordatus als de belichaming van Scheltema’s idealen, Het Joodje, alles behalve zuiver geteekend in de halfslachtige imitatie van het joodsch jargon, De Boer, de Herder, het Kind, de Arbeiders, die de dichter hier de strijders voor zijn nieuwe wereld” noemt, maar die hem uitlachen en niet begrijpen, wanneer hij verklaart tot hun harten, zwaar beladen met ketenen” te willen komen. Ze nemen hem met grove grappen en leelijke woorden deerlijk in de maling en laten hem nauw voorbij, zoodat hij ten slotte geen andere termen voor hen heeft, dan:
Verdomde Schobbejakken!” stom gebroed! En als hij alleen is, klinkt het— en ook dit is teekenend voor de mentaliteit des dichters in deze jaren—:
Stomme wereld! waar ’s uw rechtvaardigheid !
...........
Krijgzuchtig hart! uw werk is nu:— vergeven!
Ik had het goed bedoeld!
Kwam ‘k dan niet aan Zooals een toekomstdroom een beter wezen!
... Die zwakken ! ach! Zij zullen wel genezen !
...Uw taak is zwaar! Hier heeft men helden noodig!
Het is volbracht! Het zaad is neergelegd
In menig rauwe ziel,- ‘t is overbodig
Hier verder stil te staan,- wij tellen niet
De wonden van dit hart- goddank ! wij tellen
Geen zegepraal!- Onnoozle dieren! ziet
Die rook ! die gaat naar stad !- mij vergezellen
Die wolken kronklend naar den strijd- de buit!
Ik voel de tranen naar mijn oogen zwellen-
Al voort! al verder dapper hart!- vooruit!
En als een jong en schitterend ridder doet Petrus zijn intocht in de stad, gereed tot den strijd.
Maar de menschen die hij er ontmoet, een lichtzinnige vrouw, een koekebakkersjongen en een baker bewijzen hem door hun zakelijkheid dat hij zoo hoog te paard zijn doel niet zal bereiken. Trouwens, Petrus Cordatus maakt wel een beetje den indruk van Don Quichotte, den ridder van de droevige figuur. Zijn hoogdravende woorden en zijn volkomen wanbegrip omtrent de bedoelingen en het leven der menschen doen deernis-, zoo niet, lachwekkend aan.
In het derde gedeelte, De Uittocht, komt Petrus in gesprek met achtereenvolgens drie fabrikanten, wien hij bier presenteert om ze daarna uit te schelden, omdat ze fabrikanten zijn. Wanneer hij den derden fabrikant bier over het hoofd heeft gestort, wordt hij uit het café geduwd en beklaagt zich dan nog over de snoodheid der menschen.
Zooals gezegd, dit tweede Stedengedicht kunnen wij niet bewonderen. Het is te opzettelijk, gezwollen van stijl en vooral gezwollen van gevoel.
Het derde, Amsterdam, daarentegen, is een meesterwerk; daar wij er een groot fragment uit opnemen in de volgende bladzijden, zullen we er te dezer plaatse kort over zijn.
Amsterdam is met het hart geschreven. Liefde en be-wondering hebben er peet over gestaan. En men moet terug gaan tot Vondels verheerlijkende verzen over zijn vaderstad, om iets te vinden, dat in deze soort Scheltema’s Amsterdam benadert. Vondeliaansch is de proloog met zijn prachtige, gedragen, klank- en beeldrijke verzen; bezield, ontroerd tot aan de wortels van het leven, vragend en zoekend zijn de zeven zangen, waarin het is verdeeld. Die zeven zangen zijn gewijd aan den hoogmoed, aan de gierigheid, aan de onkuischheid, aan den nijd, aan de gulzigheid, aan de gramschap en aan de traagheid. In het proza van den Vrager, de poëzie van Marianne, de stedenmaagd en moederlijke raadgeefster van den zoeken-den Vrager leeft de angstige beschroomdheid van de jonge menschenziel die bezig is open te gaan en de schoonheid ontwaart om zich en in zich, maar die tegelijkertijd de schrijnende herinnering heeft aan de ondergangen van het verloren paradijs der kindsheid.
Vele problemen zijn verstild en verdiept in den geest des dichters, maar ook lijdt hij nog aan al waaraan den-kende menschen moeten lijden.
Amsterdam is méér dan een loflied op de groote stad, het is een lied van inkeer, bekentenis, vragen en ontdekken.
Het laatste groote dichtwerk dat Scheltema naliet was De Tors, dat in 1924 verscheen in een Voorzang en zes zangen. Hierin is Scheltema’s levenservaring gekristallizeerd tot diepe en schoone bespiegelingen.
Van de zeven gezangen heeft de dichter er nog vier gedrukt gezien in zijn tijdschrift Orpheus.
Een Torso, ontdekt in een ouden tuin, die als een verloren paradijs” was, inspireert hem:
Maar in mij ging dat beter leven spreken:
De droom, waar alle schoonheid van bestaat.
Niets leefde er dan mijn hart als deel
Van dat geheel: ik was alleen gebleven—
Vóór mij de tors tegen een wand fluweel.
>
En dan wordt dat woord gesproken, dat de revolutionaire geest niet kent, maar waar, naar ik overtuigd ben, de echte dichter toch altijd te eeniger tijd toe terug moet keeren:
Gezegend zij de eerbied in uw midden,
Gezegend zij de ziel die weer leert bidden!
De machten Liefde en Schoonheid worden opgeroepen om hem te leiden, maar in den loop van het dichtwerk worden ze wortel, kern en doel van het geheel.
De Tors is het in schoonheid beleden lied der liefde tot de geheele menschheid, maar ook tot de aarde, tot de natuur, tot het leven.
Zeker, wij verlangen naar de grenzenlooze landen der godlijke beloften”, wij willen daarheen waar alle droomen dagen”. Het is de schoonheid die ons doet gelooven, verbeelding die ons de schoonheid doet beleven:
Uit aardsch bedrang van kleine tegendeelen
Draagt ons een weifelende harmonie,
Waar nog maar vlagen van muziek door spelen…
Maar toch, al dragen wij deze droomen, deze verlangens, wij vragen toch ook reeds wat heil op aarde, gaarne tasten we de vruchten die voor onze handen hangen. En de dichter zegt:
Want ach: een deel van dit bestaan te blijven
Is toch waar ieder sterflijk lijf naar tracht—
Zij ‘t door zijn bloed in andren uit te drijven,
Zij het door als een vogel in den nacht
Het lied voor anderen te blijven zingen.. .
Dit beduidt dat scheppen voor den mensch heerlijkste daad-van-leven is, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk door als kunstenaar het vliedend levenslied der menschen” vóór de menschen te zingen.
Leven wordt enkel door te scheppen levenswaard”. luidt het even verder. En scheppen is liefde en schoonheid saam belijden”. Het hoogste doel is door die beiden God te beleven uit den chaos van de plagen dezer aarde, d.w.z. ons het goddelijke bewust te worden door middel van en uit de aardsche aangelegenheden.
Het komt mij voor dat deze kernwaarheid omtrent het wezen der scheppende kunst door niet heel veel dichters zoo dicht benaderd en zoo sterk in schoonheid is geopenbaard.
Zooals Gorter in Mei en Pan zijn hoogtepunten bereikt, zoo is de Tors het hoogtepunt van Scheltema’s kunst, waarin de dichter ver is uitgegroeid boven èn zijn individualistische rudimenten, èn zijn maatschappelijke sympathieën.
Het is dan ook werkelijk niet alleen terwille van de populair-geworden poëzie dat wij het nuttig en noodig oordeelden een bloemlezing te verzamelen uit zijn geheele oeuvre, een bloemlezing die wel is waar in de eerste plaats voor de school bestemd is, maar die ook in ruimer kring op belangstelling aanspraak wil maken; zij wil een globaal overzicht geven in kenmerkende fragmenten van al wat Scheltema heeft gepubliceerd, maar daar nevens ook op-wekken om kennis te maken met het geheele oeuvre van dezen stillen, voornamen, diep en teer voelenden mensch die te vroeg van ons is heengegaan.