Jacobus Bellamy heeft slechts achtentwintig jaar geleefd, van 1757 tot 1786. Zijn literaire oeuvre is niet groot, maar één gedicht is schrijvers, componisten en vertalers blijven inspireren: `Roosje`.
Bellamy was een tragische figuur. Hoewel hij beresterk was – met n schouderduw zette hij in Vlissingen ooit een scheefgezakte hooiwagen recht – tobde hij voortdurend met zijn gezondheid. Net als de beroemde Engelse dichters John Keats en Percy Byshe Shelley haalde hij de dertig niet. Maar dat maakt hem, anders dan zij, nog niet tot een van de geniale dichters van de Romantiek. Ook daarin schuilt enige tragiek, want Bellamy had wel degelijk de ambitie een groot dichter te worden. In het essay `Bellamy en zijn romance Roosje`, opgenomen in Roosje en haar nazaten, schrijft professor P.J. Buijnsters dat Bellamy ervan droomde als dichter een nieuw en verfrissend geluid te brengen in de literatuur. Daarvoor moest hij zich een eigen plek bevechten. In een open brief viel hij Hieronymus van Alphen aan, de `dichter en ongekroonde meester van de Nederlandse literaire theorie` door hem te beschuldigen van plagiaat. En na een `classicistische periode van hoogdravende godenvolle rijmkunst in Vondeliaanse trant` distantieerde hij zich van het `conventionele gerijmel` van de dichtgenootschappen waarin hij, door een gebrek aan kennis van de antieke mythologie, retorica en literatuur, toch altijd een buitenbeentje zou zijn gebleven. Bij echte dichters, neem een Homerus, draaide het om het genie. Daarom schreef Bellamy over zijn tijdgenoten: Na tweemaal vijftig jaaren / zal, van de duizend Dichters, / die thans zoo vlijtig rijmen, / geen enkelde meer leven! (...) / maar over duizend Jaaren / zal nog Homerus leven!
Bellamy was een jonge hond. Zoals Tachtigers, Vijftigers en Maximalen vele jaren na hem, wilde hij het liefst de blote kont der kunst kussen onder de sonnetten en balladen der letterdames en letterheren. Hoewel niet zo revolutionair als Lucebert bijna twee eeuwen later, zocht hij ook ruimte om zich te ontplooien.
Als een van de eersten beoefende hij in Nederland het vrije vers en met zijn goede vriend Sebald Fulco Rau nam hij zich in 1784 voor de eerste Nederlandse romance te schrijven, naar voorbeeld van de pozie van De Moncrif, Gottfried August Brger en Thomas Percy. Rau scheef `Ewald en Elize`, Bellamy kwam met het gedicht `Roosje`. Maar het was nog niet in druk verschenen of Bellamy ontdekte dat Rhijnvis Feith hem met `Alrik en Aspasia` en `Colma` voor was geweest. Ze werden opgenomen in Feiths Brieven over verscheidene onderwerpen, samen met het essay `Over de romanze`. Bellamy kon zijn teleurstelling nauwelijks verhullen, schrijft Buijnsters. ,,Hem blijft nu niet veel anders over dan om in een haastig gecomponeerd naschrift het grote verschil tussen zijn `Roosje` en Feiths romances te benadrukken. Dr draait alles om een oude, middeleeuwse stof, bij hem speelt het verhaal in de eigen tijd. Of `Roosje` nu nog een romance mag heten kan Bellamy opeens niks meer schelen.`
Had hij geweten dat zijn `Roosje` in tegenstelling tot de romances van Feith veel langer dan `tweemaal vijftig jaaren` overeind zou blijven, dan had Bellamy zich wellicht niet zo druk gemaakt. Maar zoals gezegd, hij was een tragische figuur.
Ook zijn liefdesleven was vol zorgen en het ligt voor de hand te veronderstellen dat hij precies dat heeft uitgedrukt in zijn beroemdste gedicht. Bellamy werd in 1757 in Vlissingen geboren. Zijn vader was een Zwitser – hij spelde zijn naam als Bellamy – zijn moeder Sara Hoefnagel, afkomstig uit het bij Vlissingen gelegen dorp Bonendijke, werd op Walcheren het `schone boerinnetje` genoemd. Toen Bellamy vier was, overleed zijn vader. Op twaalfjarige leeftijd werd hij van school gehaald om de kost te verdienen als knecht bij bakker Kleeuwens. Op verjaardagen van de bakkersvrouw of een van de kinderen bleek Bellamy een getalenteerd gelegenheidsdichter.
In 1777 zette Bellamy zijn eerste echte schreden op het dichterspad als aspirantlid van het Haagse dichtgenootschap Kunstliefde Spaart Geen Vlijt. In datzelfde jaar ontmoette hij ook Francisca Baane, dochter van een in 1760 overleden scheepskapitein. Op slag was hij verliefd. In de eerste liefdesgedichten die Bellamy voor haar schreef, noemde hij haar Roosje. Maar Fransjes moeder zag de bakkersknecht helemaal niet zitten. Ze stuurde haar dochter naar een tante in Goes en verbood elk contact. Fransje verloofde zich zelfs met iemand anders, maar die stierf voor het tot een bruiloft kwam. Bellamy zocht opnieuw contact en er ontwikkelde zich een geheime relatie, per brief en in de achterkamer van suikerbakker Johan de Vey aan de Vlissingse Nieuwendijk.
In 1782 vertrok Bellamy naar Utrecht om te studeren. Hij bleef corresponderen met Fransje en klaagde in zijn brieven vaak over koorts, keelpijn, hoesten en reumatische pijnen. Op 11 maart 1786 overleed hij. Omdat de waterwegen bevroren waren, duurde het vijf dagen voor de berichten van zijn dood Vlissingen bereikten. Daardoor wist Fransje pas op de dag van zijn begrafenis dat haar geliefde dood was. Betje Wolff schreef naar aanleiding van Bellamy`s overlijden:
Een brief? – van wien? – wat wordt aan mij geschreven! – Hoe trilt mijn hand! – hoe klopt mijn hart zo zeer! – Ik breek hem op, en al mijn ving`ren beeven. Ik lees – maar neen – niet verder – menschlyck leven! – Droom! – schaduw! – Bellamy! – myn God! Hij leeft niet meer!
Het is niet vergezocht om in het in 1784 geschreven gedicht `Roosje`, dat gaat over een Walchers meisje dat door een aanbidder in zee wordt gedragen waarna beiden verdrinken, de verwoording te zien van een onbereikbare liefde. Kan de liefde niet vervuld worden, dan liever samen sterven.
Bron:Recensies Roosje, uit de PZC van 6 september 2002